NWA-financiering voor onderzoek naar ongelijke kansen bij kinderen

Coen van de Kraats heeft 50.000 euro ontvangen vanuit het project ‘De Ideeëngenerator’ van het NWA. Met de Ideeëngenerator ontvangen kleinschalige onderzoeken financiering ontvangen om een innovatief idee verder te ontwikkelen door gedurende een jaar onderzoek te doen.

17-07-2019 | 13:30

Van de Kraats onderzoek “Origins of the Oppurtunity Gap: Evidence from Dutch Administrative Data on Childhood Health and Development” richt zich op kinderen die opgroeien in arme gezinnen. Het blijkt dat deze kinderen gemiddeld later in het leven ook zelf een laag inkomen hebben en een slechte gezondheid. Hoe ontstaat deze zogenaamde “kansenkloof” en hoe kan beleid op kansengelijkheid al vroeg in het leven bevorderen? “Deze vraag was in het verleden lastig te beantwoorden omdat er weinig data beschikbaar was over de ontwikkeling van kinderen in het vroege leven,” aldus van de Kraats. “In Nederland houden consultatiebureaus en schoolartsen - samen vormen zij de Jeugdgezondheidszorg, JGZ) - gestandaardiseerde informatie bij over de ontwikkeling en gezondheid van kinderen van geboorte tot de adolescentie, maar deze data was nog niet beschikbaar voor onderzoek.” In het onderzoeksproject koppelen ze deze data aan kenmerken van het gezin en de ouders – zoals bijvoorbeeld gezinssamenstelling en inkomen van de ouders –  aan informatie over zorggebruik en onderwijsuitkomsten van kinderen en zelfs aan arbeidsmarktuitkomsten als kinderen eenmaal volwassen zijn. “Zo brengen we in kaart hoe, waar en wanneer de kansenkloof ontstaat en effenen we de weg voor interventie-studies die ingebed zullen worden in de door ons gecreëerde data-infrastructuur. Dit doen we samen met professionals en beleidsmakers om te zorgen dat praktijkinformatie onze analyses ondersteunt, maar ook dat de lessen uit onze analyses de praktijk bereiken.”

10 procent van Nederlandse kinderen in beeld

Van de Kraats heeft dit project samen met Bastian Ravestijn (verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam) opgezet onder de naam ‘Kansen in de Kindertijd’. “We hebben inmiddels 10 procent van de Nederlandse kinderen in beeld doordat vier regionale JGZ-organisaties hun data vanaf 2010 hebben aangeleverd bij het CBS, waar de data gekoppeld zijn aan andere bestanden. De financiering vanuit de Nationale Wetenschapsagenda maakt het mogelijk om het komende jaar op basis van de beschikbare data al gedeeltelijk antwoord te geven op de vraag hoe kansenongelijkheid ontstaat. Daarover zullen we publiceren in wetenschappelijke tijdschriften, maar we zullen ook onze resultaten inzichtelijk maken voor publiek en beleidsmakers via intuïtieve en interactieve webapplicaties.”

De laatste component van de gehonoreerde aanvraag is het uitbreiden van het aantal JGZ-organisaties dat data aanlevert en het verbeteren van de kwaliteit van de data. Daarvoor werken ze samen met de deelnemende JGZ-organisaties, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid en TNO. Van de Kraats: “Uiteindelijk willen we met Kansen in de Kindertijd een duurzame data-infrastructuur ontwikkelen bij het CBS waar veel onderzoekers op kunnen inhaken voor onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen.”

Achterstand ontstaat vroeg

Wat zowel de onderzoekers als de jeugdprofessionals verbaasden, is hoe vroeg in het leven de achterstand op het gebied van groei, spraak en taal van kinderen ontstaat. “We zien een duidelijke relatie tussen het inkomen van ouders en de ontwikkeling van kinderen van een paar jaar tot zelfs enkele maanden oud. Zo dachten jeugdprofessionals dat verschillen in gewicht tussen gezinnen met een laag en hoog inkomen rond het eerste of tweede levensjaar duidelijk zichtbaar worden, maar konden wij met de gekoppelde data laten zien dat er na een paar maanden al grote verschillen zijn ontstaan.”

Komend jaar gaan ze met het onderzoek een slag maken om de resultaten op buurtniveau weer te geven, zodat gemeenten hier beleid op kunnen gaan voeren. “Tijdens de looptijd van dit kortdurende project bereiden we ook de weg voor naar vervolgonderzoek, waarin we de effectiviteit van interventies willen meten zodat beleidsmakers weten welke instrumenten het beste werken voor welke gezinnen.”